Wat wil PvdA met internationale drugsbeleid?
door op 25 oktober 2007
Het eerste Politiek Café van dit seizoen in de nieuwe locatie, Studio 80, ging over de Nederlandse inbreng in het internationale drugs beleid. Inleiders waren Freek Polak, psychiater en voormalig medewerker van de Drugsafdeling van de GGD in Amsterdam, voormalig PvdA Tweede Kamerlid Thanasis Apostolou en Jan van der Tas, voormalig ambassadeur van Duitsland en Syrië. Onno van der Vlerk, de voorzitter van het PvdA stadsregiobestuur, trad op als gespreksleider.
Aanleiding van dit debat is de VN drugstop van maart 2008, waar, voor het eerst in 10 jaar, het internationale drugsbeleid geëvalueerd gaat worden. Omdat deze evaluatie onder verantwoordelijkheid van het VN drugsbureau wordt opgesteld, betreft het hier geen onafhankelijke evaluatie. De drie inleiders, die allen wel eens hebben deelgenomen aan overleg over drugsbeleid in VN verband, maken zich dan ook zorgen over de uitkomst van de evaluatie. Volgens Freek Polak, die de avond opende met een korte introductie van het onderwerp, stelt het VN drugsbureau, officieel UNODC (UN Office for Crime and Drugs), de resultaten van de bestrijding van drugs wereldwijd te gunstig voor. De UNODC stelt dat er stabiliteit is bereikt bij de teelt, de productie en de consumptie van vrijwel alle soorten drugs. Polak vindt dat hierop nogal valt af te dingen. “Vroeger”, aldus Polak, “werd toename of afname van drugsgerelateerde problemen aangevoerd om het gevoerde beleid van prohibitie voort te zetten, nu wordt stabilisering opgevoerd om het verbod te handhaven”. Volgens hem is het veel waarschijnlijker dat het drugsgebruik door de aanjagende werking van drugsbestrijding sneller is toegenomen dan wanneer het zich rustig had kunnen ontwikkelen. Polak stelt dat het gaat om de vraag hoe we als samenleving omgaan met stoffen die een sterke invloed hebben op het gedrag van de gebruikers en om de risico´s die dat met zich meebrengt voor o.a. de gezondheid, zoals afhankelijkheid en toxiciteit. Volgens Polak zijn de verschillen met alcohol en sigaretten niet zo groot dat er een totaal verschillend systeem voor nodig is. “Het gevolg van het huidige beleid is dat drugs in de illegaliteit terecht zijn gekomen, waardoor vooral in grote steden en grensgebieden veel criminaliteit en overlast is ontstaan. Een tweede belangrijke vraag is of het verbod op drugs heeft geleid tot vermindering van de problemen rondom drugs en die vraag moet ontkennend worden beantwoord. Het is al een paar jaar bekend dat de mate van repressie nauwelijks invloed heeft op de omvang van gebruik en verslaving, maar in de politiek en de media blijft hardnekkig het idee bestaan dat repressie tot vermindering van de drugsproblematiek leidt. Deskundigen zien in het geheel geen positieve effecten van drugsbestrijding, maar als die er wel zijn, moeten ze worden afgewogen tegen de nadelige effecten”, vindt Polak. Volgens het rapport ´Vreedzaam Veilig´ van een door de PvdA opgestelde commissie onder leiding van Prof. Nico Schrijver, zijn de maatschappelijke kosten van de beheersing van het drugsprobleem enorm.
Thanasis Apostolou, indertijd woordvoerder drugsproblematiek van de PvdA Tweede Kamerfractie en lid van de Horizontale Drugs Groep het overlegorgaan binnen de EU van de afdelingen die zich met drugsbeleid bezighouden), is verschillende malen naar de VN drugstop in Wenen geweest. Hij vindt dat het o.a. door Nederland ontwikkelde ‘Harm Reduction’-beleid met o.a. verstrekking van schone naalden, heroïne en methadon, dat in de meeste Europese landen ingang heeft gevonden, maar door de VS en de VN nog niet wordt geaccepteerd, internationaal zou moeten worden overgenomen. Apostolou vindt ook dat ons beleid op het gebied van cannabis, zowel verkoop als productie, veel beter kan. “Ons beleid is niet uit te leggen en daarom heeft geen enkel land het overgenomen. Je mag wel verkopen, maar het kopen en produceren van softdrugs is illegaal”. Apostolou vindt dat het zgn. ´achterdeurbeleid´ geregeld moet worden. Behalve Zweden, dat ook op het gebied van alcohol een beleid van prohibitie voert, zijn de landen van Europa wel geïnteresseerd in ons systeem en is er ook toenadering. Maar, met het oog op de internationale verdragen, kan er geen voortgang worden geboekt. Apostolou stelt dat Nederland niet de politieke wil heeft om het drugsbeleid goed te regelen omdat ze zich teveel aantrekken van de internationale kritiek.
Freek Polak stelt dat drugs een prominente rol in de psychiatrie zijn gaan spelen. Dat was vroeger niet zo, maar door het verbod op drugs zijn de gezondheidsrisico´s groter geworden. Volgens hem zou hiv niet zo wijd verspreid zijn als drugs legaal waren. Een vergelijking met alcohol vindt hij op z´n plaats; absinth is pas legaal geworden en nu blijkt dat het veel minder schadelijk is dan werd verondersteld. Hij vertelt een anekdote over hoe cannabis op de lijst van verboden stoffen terecht is gekomen. Tussen de eerste en tweede wereldoorlog werd wereldwijd vergaderd over de samenstelling van een lijst van opiaten. De vertegenwoordiger van Egypte stelde ineens dat cannabis ook schadelijk voor de gezondheid was. Niemand wist destijds wat cannabis was, maar om Egypte te plezieren heeft men het toen op de lijst gezet…
Jan van der Tas begint met een vergelijking van het drugsbeleid met schaken. “Als je een goede zet doet wordt die meestal onmiddellijk gepareerd. Dat is met het drugsbeleid ook het geval. Bovendien wordt in de top van de VN gegoocheld met standpunten en ondoorzichtige procedures. De VS zullen alle pogingen tot verduidelijking van deze procedures torpederen”, vreest hij. Een voorbeeld: de VS wil het woord evaluatie niet accepteren, want dat houdt in dat de uitkomst positief zou kunnen zijn en dat mag niet. “Freek, Thanasis en ik, we zijn een komisch trio”, zegt Van der Tas, “en zo hebben we ook aan menig internatonale conferentie over drugsbeleid deelgenomen, maar tot dusver zijn we er niet in geslaagd de Amerikaanse gekte te stoppen”. Hij is voorstander van legalisering van alle drugs. “Het gevaar van prohibitie is dat de drugsmarkten worden overgeleverd aan de criminaliteit. Bovendien is prohibitie in strijd met alle regels van de markteconomie. Blijkbaar geldt dat voor alle producten behalve voor drugs. En als er over drugsbeleid wordt gedebatteerd wordt er meestal naar locale problemen verwezen”. Hij vindt het teleurstellend dat de PvdA geen oplossingen voor het drugsprobleem in het regeerakkoord heeft laten opnemen. Van der Tas is het niet eens met het beleid dat Apostolou voorstaat; hij vindt ons cannabisbeleid juist goed. Het probleem is dat we het steeds aanpassen aan de verlangens van de buurlanden en dat is niet goed.
Uit de zaal vraagt Thomas von der Dunk aan Jan van der Tas wat de verklaring is voor de gekte van de Amerikanen. Van der Tas antwoordt dat dat ten dele het gevolg is van orthodoxie en ten dele van de religieuze aard van de Amerikanen; er wordt van bovenaf veel druk uitgeoefend om drugs als gevaarlijk af te schilderen, gewone mensen hebben geen enkele invloed op de VS regering. Toen het alcoholverbod in de VS in 1933 werd opgeheven, zijn de bureau´s die zich bezighielden met de handhaving van dat alcoholverbod, naadloos overgegaan op drugsbestrijding. Het is een machtskwestie geworden van bestaande instituties, die niet in hun voortbestaan willen worden bedreigd.
Van der Tas hoopt dat er een Europees alternatief mogelijk is als tegenhanger van de VS, maar dan moeten alle neuzen wel één kant op, inclusief Zweden met zijn traditie van prohibitie.
Iemand uit de zaal wijst op de onenigheid tussen de burgemeester van Maastricht en de premier van België over het Nederlandse softdrugsbeleid en vraagt zich af hoe we ervoor kunnen zorgen dat er één Europees standpunt komt, als twee landen die zo nauw samenwerken het er al niet over eens kunnen worden.
Van der Tas vindt dat prohibitie tot falen gedoemd is, maar vraagt zich wel af wie dat nu wil toegeven. Polak vertelt van een politiecommissaris uit Wales die onlangs de legalisering van alle drugs bepleitte. Dat geeft de burger moed!
Michael van der Vlis vraagt wat er zou gebeuren als Nederland al die verdragen zou opzeggen of ontduiken, bijvoorbeeld door het drugsgebruik medicinaal te noemen.
Van der Tas verwacht daar niets van. “Nederland is niet het soort land dat internationale verdragen opzegt. We voeren al jaren een afwijkend beleid en daar is weliswaar veel kritiek op, maar er wordt niet ingegrepen. In Duitsland is er sinds kort een wet op het toestaan van gebruikersruimten aangenomen, waarover veel commotie is geweest. Als Duitsland doorzet kan niemand er wat aan doen. Aanpassen van door 180 landen ondertekende verdragen is zo goed als onmogelijk. Maar niets doen kan ook niet. Het is een zeer impopulair thema in de politiek. Ambtenaren proberen het onder tafel te houden. De PvdA is de partij die alles wat mis is in de maatschappij met regels wil bestrijden. En dat is vaak niet de juiste oplossing”, aldus van der Tas.
Apostolou antwoord op een vraag of het zou uitmaken als één ministerie het voor het zeggen had, “dat in Nederland zowel de ministeries van Volksgezondheid als Justitie bij het drugsbeleid zijn betrokken. Wat er gebeurt hangt er af van wie het probleem oppakt. In het vorige kabinet was minister Donner van Justitie bepalend voor het beleid. In het paarse kabinet was het minister Borst van Volksgezondheid die wiet als medicijn heeft goedgekeurd”.
Uit de zaal worden vragen gesteld over de totstandkoming van de evaluatie als de VN commissie geheel onder druk staat van de VS.
Van der Tas vertelt dat door het VN-drugsbureau het woord ´drugsgebruik´ niet eens gebruikt mag worden, want volgens de VS bestaat er geen drugsgebruik; het gaat altijd om misbruik. Sommige landen zijn inmiddels zo geïrriteerd geraakt door het voortdurend ontkennen van de werkelijkheid en door dit gezeur over woorden, dat het nu heel langzaamaan begint te schuiven.
Apostolou vertelt dat rapporten worden geschreven door wetenschappers, maar gescreend door politieke machthebber die allerlei uitkomsten en conclusies weren. Daarom wil hij graag meer politieke fracties bij het formuleren van het Nederlandse standpunt betrekken.
Een andere taak van het VN-drugsbureau is hetopstellen van regels voor de beschikbaarheid van pijnstillende middelen zoals opiaten. Hij vindt dat de nieuwe regels zo moeten worden opgesteld dat het niet slechter wordt dan nu.
Van der Tas meent dat drugsgebruik en verslaving uit elkaar gehouden moeten worden. “Je moet je realiseren dat het drugsgebruik heus niet meteen zal toenemen als het legaal zou worden. Dat wordt wel vaak gesuggereerd. Maar in de gevangenissen in de VS zitten meer drugsgerelateerde criminelen dan in alle andere landen van de wereld samen. Dat zou te denken moeten geven”, vindt hij.
Polak vertelt dat de Stichting Drugsbeleid al in 1994 heeft beschreven hoe drugs legaal en gereguleerd kunnen worden, maar dat betekent niet dat ze dan in de supermarkt in de schappen moet liggen. Hij vindt dat verslaafden drugs verstrekt moeten kunnen krijgen.
Thomas von der Dunk vraagt hoe het zit met de aanzuigende werking van de vrije verkoop van cannabis in Nederland. Polak stelt dat de problemen in de grensgebieden niet groter moeten worden dan ze nu zijn. Maar het beleid hoeft niet overal precies hetzelfde te zijn.
Van der Tas is het ermee eens dat verschillend beleid aan beide kanten van de grens niet werkt. “Maar wiens probleem is het als de Franse jeugd in Spangen drugs komt kopen? Dat is beslist niet alleen het probleem van Nederland, zoals Frankrijk beweert, maar wel degelijk ook een Frans probleem. Wij hoeven ons daaraan niet aan te passen, dat heeft burgmeester Leers heel goed verwoord. Van alcohol hebben we ook erg veel overlast”, stelt Van der Tas, “maar dat is beter aan te pakken, omdat het legaal is”.
Iemand uit de zaal stelt dat men teveel gefixeerd is op legaliseren of verbieden. De vraag moet zijn: Kun je het handhaven, kan het effectief geregeld worden?
Polak: “Was het maar zo dat het gaat om legaliseren of verbieden, maar het centrale probleem is dat drugs verboden zijn”. Hij citeert de onlangs overleden advocaat Bakker Schut die zei, dat de regering de illegale handel uitlokt, omdat ze het niet goed geregeld heeft. Dat leidt tot illegale handel.
Klaas Meijer stelt dat de CIA in de VS de inkomsten uit illegale drugs nodig heeft om zijn activiteiten te financieren.
Rest de vraag of we in Wenen ook de kwestie prohibitie of legalisering aan de orde moeten stellen of juist niet. Jan van der Tas en Freek Polak vinden van wel. Thanasis Apostolou vindt
dat we ons moeten richten op algemene erkenning van Harm Reduction en geen energie moeten steken in legalisering, wat hij niet haalbaar vindt.
Besloten wordt dat er in Amsterdam een werkgroepje wordt opgericht dat het onderwerp in zoveel mogelijke andere afdelingen ter discussie gaat stellen. Met de uitkomsten daarvan kan de Tweede Kamerfractie zijn voordeel doen.


